Paasverhalen

 

 Paaseieren zoeken

Wouter en Mieke rennen van de ene struik naar de andere.
Mieke ziet als eerste een ei liggen. Het ligt verstopt onder een paar blaadjes. Het is een pappa-ei.

Dan vindt ze een rood ei en een ei met strepen. Bij de zandbak ligt een groot chocolade-ei.
'Kijk eens', roept ze naar haat vader en moeder, die bij de keukendeur staan, '

de paashaas heeft ook nog andere eieren verstopt!'
Wouter staat nu midden in de tuin.
'Ik zie niks,' roept hij
'Kijk eens bij de schuur,' zegt mamma.
Wouter loopt erheen, maar Mieke is hem voor.
'Ja!,' roept ze en haalt een ei achter de vuilnisbak vandaan.
Het is een blauw ei met gele stippen. 'Dat is mijn ei,' zegt Wouter boos. 'Geef hier!' 
'Ik heb het gevonden,' zegt Mieke en ze legt het gauw in haar mandje.
'Dat heb ik geverveld,' roept Wouter.
Mieke zoekt alweer verder. Ze vindt nog een ei en nog één. 

Wouter kijkt achter de vuilnisbak, maar er ligt niks meer.
Hij begint te huilen.
'Ik wil ook een ei,' snikt hij.
Mamma neemt hem bij de hand. 'Kom,' zegt ze, 'dan zoeken we samen.'
Mieke gaat nu achter in de tuin zoeken en mamma en Wouter voor in de tuin.
Mamma duwt een plantje opzij. 'Misschien ligt hier wel wat.'
'Jaaa ....' juicht Wouter. Onder het plantje ligt een chocolade-ei.
'Misschien moet we ook omhoog kijken,' zegt mamma.
Wouter kijkt naar boven. In de boom hangen wel drie eieren aan een lintje.
'Dat is een grote palmpaas,' roept hij.
Pappa pakt een ladder uit de schuur en haalt de eieren voor Wouter uit de boom.
Mieke heeft ondertussen haar mandje al bijna vol.

Ze heeft ook een Wouter-ei gevonden en geeft dat aan hem.
'Ik denk dat er bij de dikke boom achter de schuur ook nog wel een paar eieren liggen,' zegt mamma.
Mieke wil er naar toe rennen, maar pappa zegt: 'Even wachten. Laat Wouter maar eerst kijken.'

Wouter rent al weg.
'Ik wil ook,' zegt Mieke kwaad.
Mamma trekt Mieke naar zich toe en fluistert in haar oor:
'Laat Wouter maar even. Die is nog zo klein. Jij hebt je mandje al vol, omdat jij heel goed kunt zoeken. Wouter kan dat nog niet.'
Mieke knikt: dat snapt ze wel, maar ze vindt het niet echt leuk.
'Kom eens,' roept Wouter vanachter de schuur.
'Ik heb een kuiken gevonden.'
'Dat kan niet,' zegt pappa.
Ze lopen naar Wouter toe.
Onder de dikke boom ligt een piepklein vogeltje in het gras.

Het zit helemaal in elkaar gedoken en beweegt niet meer.
Alleen doet het heel even zijn oogjes open.
'Ooooo,' zegt Mieke, 'dat is zielig.'
Ineens horen ze boven zich een hoop lawaai. In de boom zitten twee dikke koolmezen.

Ze piepen en kwetteren angstig en fladderen heen en weer.
'Dat zijn de vader en moeder,' zegt mamma.
Pappa knikt. 'Dat kleine vogeltje is uit het nest gevallen, daar zullen we eens gauw iets aan doen.'
Pappa haalt de ladder en zet die tegen de boom.
Dan pakt hij een ladder en zet die tegen de boom.

Dan pakt hij een paar blaadjes van de grond en legt die op zijn hand.
Voorzichtig zet hij het kleine vogeltje daarop en klimt naar boven.
De vader- en moedervogel vliegen luid tjilpend naar een andere boom.
'Stil maar, jullie krijgen je baby'tje terug,' roept Mieke.
Pappa gaat voorzichtig met een voet op een dikke tak staan.
Hij rekt zich helemaal uit en kan met zijn hand net bij het nest komen.

Daar zitten nog twee andere baby-vogeltjes in.
voorzichtig zet hij het zielige vogeltje in het nest en klimt weer naar beneden.
Pas als de ladder weg is en ze uit de buurt van de boom zijn, komen de vader- en moedervogel weer terug.
'Alles is goed afgelopen,' zegt Mieke. 'Nou weer zoeken.'
Ze vinden nog een paar eieren. Rode eieren, gele, blauwe en eieren met stippen en strepen.
En natuurlijk ook Mieke-eieren, Wouter-eieren en mamma-eieren en pappa-eieren.
Als ze helemaal niets meer kunnen vinden, zegt pappa: 'Komen, ik heb de tafel al gedekt. We gaan eieren eten.'
Trots lopen Wouter en Mieke met hun mandje vol eieren naar binnen.
Bij de keukendeur draaien ze zich nog even om en roepen heel hard: 'Dank je wel, paashaas!'

 

Het mooiste paasei van de wereld

Er was eens een haasje, een heel lief haasje, met lange oren en een klein wit pluizig staartje. Dit haasje was niet zomaar een haasje, maar een paashaasje!

Op een dag vlak voor Pasen kreeg het paashaasje een bijzondere opdracht van de grote paashaas. Paashaasje, zei grote paashaas, jij moet dit jaar het mooiste paasei van de wereld naar de koning brengen. Het paashaasje kreeg er een beetje de kriebeltjes van in zijn buikje. Hij moest het allermooiste paasei van de wereld naar de koning brengen? Maar waarom wil de koning dat mooie paasei hebben grote paashaas? Vroeg het paashaasje. Nou, zei de grote paashaas, omdat de koning een paasfeest geeft voor alle koningen en koninginnen van de hele wereld en dan wil hij dat mooie paasei laten zien.

Het paashaasje werd een beetje zenuwachtig, o jeetje, nu moet ik met zo’n prachtig paasei op reis naar de koning, straks gebeurt er iets mee!

De volgende ochtend stond het paashaasje heel vroeg op. Hij at nog snel wat en ging toen naar de grote paashaas toe. Ik ben er helemaal klaar voor, zei het paashaasje met een piepstemmetje tegen de grote paashaas. Het paashaasje was eigenlijk een beetje bang, hij was nog nooit ver van huis geweest, maar hij deed alsof hij heel stoer en niet bang was.

De grote paashaas gaf het paashaasje een mand, in de mand lag het ei. Het was een prachtig ei, er zaten allemaal versiersels op en het glitterde in het licht. Het paashaasje had nog nooit zoiets moois gezien. Ga nu maar snel, zei de grote paashaas, de koning wacht op je. Maar pas op! Er zijn veel boeven die dit ei ook heel graag willen hebben!.

En zo ging het paashaasje op weg naar het paleis van de koning. Het mandje zat op zijn rug.

Hij liep over bergen, langs rivieren, door weilanden en door het bos. En daar in het bos gebeurde het! Het paashaasje liep over een klein kronkelig paadje door het bos. Het was heel stil in het bos, het paashaasje hoorde alleen zijn eigen pootjes die op blaadjes en takjes stapte. Maar toen……………Toen hoorde het paashaasje ook ergens anders takjes kraken.

Krak, klonk het in de verte. Het paashaasje ging stilstaan en spitste zijn oren. Hij hoorde niets. Hij begon weer verder te lopen, maar hij hoorde weer wat. SSSSHHHH, klonk het in de verte, het geritsel van bladeren! Het paashaasje stond weer stil. Hij hoorde nu weer niets. Hij werd een beetje bang. Krak, krak, krak, krak, het kwam dichterbij. Opeens stonden er twee mannen op het bospad. Vlak voor het paashaasje. Ze zagen er een beetje viezig uit. Het paashaasje werd een beetje bang. Hallo, zei het paashaasje, wie zijn jullie? Wij zijn Joris en Boris en wij willen het allermooiste paasei van de wereld hebben. Ojee! Het paashaasje begon te trillen van zijn oren tot zijn kleine staartje. Uhm, paasei? Nou ik weet van niets, zei het paashaasje. Maar de Joris was in een grote stap bij het kleine haasje en nam het paasei uit de mand. Jij weet van niets, lachte Boris. Het haasje wist niet wat hij moest doen. Die twee boeven waren veel sterker. De boeven liepen nu snel weg. Ze hadden het ei! Wat moest het haasje nu aan de koning geven?

Die avond zat het paashaasje alleen in het bos. Hij was het paasei kwijt en wist niet wat hij moest doen. Hij zat heel hard na te denken. Toen had hij het! Hij ging de boeven zoeken, die liggen hier vast in de buurt te slapen, dan pak ik het ei en ren snel naar het paleis, dacht het haasje. Het haasje stond op en ging zachtjes op zoek naar de boeven. Na een tijdje zag het paashaasje een vuurtje branden in de verte. Daar zijn ze, dacht het haasje.

Langzaam sloop hij dichterbij. De boeven lagen te snurken. Het paasei lag op de buik van Boris. Hij hield het vast met een hand. Het paashaasje sloop heel langzaam dichterbij. Hij pakte heel voorzichtig het ei van de buik. Heel langzaam sloop hij weg bij de boeven, die gewoon door bleven slapen. Toen hij een eindje uit de buurt was begon hij te rennen.

Het paashaasje bleef de hele nacht door rennen. En toen s’ ochtends de zon op kwam zag hij in de verte de torens van het paleis. Oh wat was het haasje blij!

In het paleis aangekomen gaf hij het allermooiste paasei van de wereld aan de koning.

De koning was er zo blij mee! Lief haasje, blijf jij vanavond bij ons logeren? Dan mag je morgen ook op het paasfeest komen, zei de koning. Het haasje trilde met zijn oren, zo blij was hij.